Interview Sander Boot: ‘Pragmatische aanpak klimaatplan Baarn’

Interview Sander Boot: ‘Pragmatische aanpak klimaatplan Baarn’

14 april 2019

We praten met Sander Boot, beleidsadviseur Water en Riolering bij de gemeente Baarn en  projectleider van de pijler ‘Klimaatadaptatie’ van het programma duurzaamheid. Het  programma duurzaamheid is begin dit jaar vastgesteld door het college om alle losse initiatieven die links en rechts bij de gemeente Baarn binnen kwamen op het gebied van klimaat en duurzaamheidte bundelen en te stroomlijnen. In dit programma duurzaamheid heeft de gemeente Baarn vijf pijlers benoemd te weten: duurzaam transport, energietransitie, van afval naar grondstof (kringloopsluiting), klimaatadaptatie en (duurzaamheid in) de eigen organisatie (zie onderstaande figuur).

Sander vertelt: ‘Dit programma Duurzaamheid geeft ons goede houvast en pakken we pragmatisch op. Sommige pijlers waren we al mee gestart, zoals klimaatadaptatie. In 2017 is een motie aangenomen in de raad die ons er toe dwong hier voortvarend mee aan de slag te gaan. De opdracht was aan de slag te gaan met zowel klimaatmitigatie als -adaptatie. We zijn met adaptatie gestart vanwege de opgave die vanuit het rijk (DPRA) bij de gemeenten was neergelegd. We hebben nog wel even met de start gewacht tot de regionale stresstest was opgesteld. We wilden niet het wiel zelf uitvinden door voor de troepen uit te lopen.  Mitigatie was lastiger om mee te starten omdat de opgaven vanuit het rijk nog niet duidelijk was en het thema binnen de gemeente ook minder goed was georganiseerd.

 

Om dit echt aan te pakken binnen je organisatie heb je de handjes nodig: mensen dus en hun tijd. Altijd lastig want collega’s zijn vaak al overladen met hun eigen werkzaamheden en dit moet er ‘gewoon’ nog even bij. Hoe heb je dit voor elkaar gekregen? Sander geeft aan: ‘Vaak zit het niet in de wil maar vooral in de beschikbare tijd. Daar kwamen dan ook al snel vragen over: ‘Leuk, maar hoeveel tijd gaat me dat kosten?’  Samen met mijn collega van Duurzaamheid zijn we gesprekken gaan voeren. Eerst met onze eigen managers. We hebben de belasting van de teams scherper gemaakt door te kijken naar een minimale insteek ( wat is strikt noodzakelijk om aan de afspraken op rijksniveau te voldoen) en naar meer ambitieuze varianten, bijvoorbeeld als we alle benodigde middelen tot onze beschikking zouden hebben. Daar is een haalbare keuze in gemaakt. Vervolgens zijn we samen met deze managers met andere managers gaan praten en hebben we een plan van aanpak ingediend bij het college. Na dit ‘gelobby’ was er draagvlak bij de managers en bestuurders en konden we intern prioriteit aan dit project geven. Vervolgens zijn we met onze vakinhoudelijke collega’s aan de slag gegaan om het concreet te maken. Belangrijk is hierbij dat ook een kleine stap een goed begin is. Het is nog steeds een vrij nieuw thema waarbinnen je moet pionieren en waarin je de maatschappij mee moet zien te krijgen. Dan kun je beter op een laagdrempelig, tastbaar niveau beginnen dan hoogdravende, abstracte visies neerleggen.’

Hoe hebben jullie vervolgens het plan van aanpak opgesteld?
Sander: ‘Als kleinere gemeente kan je het wiel niet altijd opnieuw uitvinden. In de gemeente Amersfoort waren ze al bezig en lag er al een voorbeeld aanpak (link stan-water). We hebben kritisch gekeken: Is die aanpak geschikt voor Baarn?  Is de aanpak niet te ambitieus voor een kleine gemeente? Maar het mooie van de methode die in Amersfoort ontwikkeld is, is dat je hem op elk ambitieniveau en elk schaalniveau kan toepassen. Het is een procesinstrument waarmee je het thema gestructureerd aan kan pakken en goede antwoorden kan geven op de vragen ‘Waar staan we nu?’, ‘Waar willen we naar toe’ en ‘Hoe komen we daar?’ .

En hoe werkt dit dan?
Sander vervolgt: ‘De aanpak is gebaseerd op de vraag: welke elementen heb je nodig om klimaatadaptatie goed in te bedden in je organisatie? Hier zijn 5 thema’s uitgekomen namelijk: inzicht, netwerk, draagvlak, beleid en werk (begeleiding proces door Stan -Water)Per thema is een werksessie georganiseerd met elke keer de juiste stakeholders aan tafel. Dat was af en toe wel even puzzelen en goed afstemmen, maar heel belangrijk voor het proces.  Afhankelijk van de soorten mensen is een passende werkvorm gekozen om de antwoorden op de vragen te kunnen geven. Inmiddels hebben we voor elk thema de werksessies afgerond en liggen er verschillende (tussen-)producten op tafel. Zo hebben we een vertaling gemaakt van de regionale stresstest naar een Baarnse ‘Knelpunten en kansenkaart’ (zie onderstaande figuur).

Foto: Stan Water

Daarnaast ligt er voor het organisatorische en procesmatige aspect een  ‘nul meting’ van de TRAP2050-methode (zie onderstaande figuur). Bij dit proces zijn ook maatschappelijke partners en andere overheden betrokken zoals de GGD, Staatsbosbeheer, de provincie en het waterschap.

Ook hebben we een ‘sociale kaart’ gemaakt van collega’s en professionele partners die op één of andere manier bij klimaatadaptatie betrokken zijn of willen zijn. Daarbij is ook in beeld gebracht welke rol ze (willen) spelen en welke kennis of vaardigheden ze kunnen inbrengen (zie onderstaande figuur). Zo kunnen we in het vervolgtraject gerichter aan de slag met de juiste mensen.

Zoals blijkt uit de 0-meting, hebben we nog wel een weg te gaan. Op dit moment hebben we met name in beeld wat we nu al doen aan klimaatadaptatie. De vragen ‘Waar willen we naar toe’ en ‘Hoe komen we daar’ komen in een vervolg aan bod. Dan willen we ook inwoners gaan betrekken bij het proces.

En hoe gaan jullie nu verder?
Sander:‘We willen het simpel en behapbaar houden, en de strategie is om van onderaf op te bouwen. Dus geen hoogdravende plannen maar echt dingen gaan doen. Zo is er voor elk thema van klimaatadaptatie een case geformuleerd gebaseerd op een wijk of deel van Baarn waar dat thema het meest speelt (zie onderstaande figuur).

In de vervolgfase gaan we onderzoeken welke actoren daar een rol spelen. Aan de hand van de case gaan we met deze actoren in gesprek over wat we moeten en kunnen met klimaatadaptatie. Dat past dan weer in het traject van het Deltaplan Ruimtelijke Adaptatie, die stelt dat we een risicodialoog moeten voeren. .

Naast dit concrete, gebiedsgerichte spoor loopt nog een ander spoor waarbij we een brede stadsdialoog willen opstarten. Daar is een aparte subsidie voor aangevraagd. Een adviseur die betrokken is bij onder andere Amsterdam Rainproof en die veel participatietrajecten heeft gedaan helpt ons hiermee. Deze stadsdialoog is bestemd voor de hele Baarnse samenleving. De stadsdialoog vindt plaats in 2 stappen. De eerste sessie richt zich op begrip kweken voor elkaar en dezelfde taal spreken. Hierbij moet je denken aan het onder leiding van een ervaren gespreksleider bevragen van inwoners en bedrijven mensen over klimaatadaptatie: Wat is klimaatadaptatie eigenlijk precies voor hen? En bijvoorbeeld: vinden we het erg? En weten we wat erop ons af komt? In een tweede sessie maken we, met de mensen die het meest bij het thema betrokken zijn, een verdiepingsslag. Daarbij staat de vraag centraal: wat gaan we er aan doen en wie gaat dat doen? Het totale proces is uitgebeeld in onderstaande figuur.

De uitkomsten van deze twee sporen (gebiedscases en stadsdialoog) willen samen brengen om zo tot uitvoeringsprogramma te komen.’

Tot slot Sander wat is je ultieme tip?
Goede voorbereiding is het halve werk. Misschien een beetje cliché maar hier ook weer erg toepasselijk. Je moet zorgen dat je binnen je organisatie draagvlak hebt voor wat je wil gaan doen. Anders trek je aan een dood paard. Zet een goede lobby op voor je project en  zorg vooral dat je het bestuur en management mee hebt in je aanpak. Dan krijg je je collega’s ook makkelijker aan boord, vooral bij de start van het project. Anders krijg je reacties als: Leuk dat je me uitnodigt om hierover te praten maar die tijd heb ik niet. Een tweede tip is zorgen voor maatwerk. Kijk kritisch wie en wat je voor elke stap in het proces nodig hebt. Als het project eenmaal loopt, wordt vanzelf duidelijk bij welke mensen en organisaties energie zit.